Aaf Brandt Corstius, columnist / auteur
Een tijdje geleden werd ik opgebeld door de eindredacteur van nrc.next, de krant waar ik dagelijks een column in schrijf. Hij belt me haast elke dag op, om een foutje in mijn column te melden, om te zeggen dat een zin niet helemaal lekker loopt, of, vernederender, om me eerlijk en oprecht te vertellen dat ik één bepaalde grap wel heel lang heb uitgemelkt. Hij is een fantastische eindredacteur en ik volg bijna al zijn correcties en adviezen op.
Dit keer zei hij: ‘Ik durf het haast niet te vragen, maar wil je vandaag een wat kórtere column schrijven? We krijgen namelijk een hele grote advertentie onder je stukje, op pagina 2.’
Ik sputterde wat, omdat mijn column maar uit slechts 395 woorden mag bestaan. Dat lijkt misschien veel, maar dat is heel weinig. Elke dag schrijf ik ongeveer 600 woorden, en dan moet ik eindeloos inkorten. Het inkorten duurt altijd langer dan het schrijven.
Dus ik had weinig zin om het allemaal nóg korter te maken. Ik wilde wat kwijt aan mijn lezers! Aan de wereld! Een mening, een gedachte, een observatie! Wat moest die immense advertentie daar ineens?
Toen zei mijn eindredacteur iets dat mij onmiddellijk over de streep trok. Hij zei: ‘Die adverteerder wil heel graag op jóúw pagina staan.’
Onmiddellijk ging ik aan het werk om een piepklein stukje te schrijven. Geen enkel probleem.
Later bedacht ik dat er wel meer dingen stonden op pagina 2, de pagina die zogenaamd ‘mijn pagina’ was. De cartoon van Fokke en Sukke, bijvoorbeeld, toch ook wel een veelbekeken rubriek. En de goedgelezen ‘vraag van de dag’ die altijd in next staat, over waarom water in een bepaalde richting in het putje stroomt, en waar hopjesvla precies van gemaakt wordt. En natuurlijk het weerbericht. En het zogenoemde ‘ikje’ – een stukje dat door een lezer zelf geschreven is.
Misschien was het maar een truc van mijn eindredacteur geweest om mij ertoe aan te zetten mijn stukje in te korten, om te zeggen dat die adverteerder op ‘mijn pagina’ wilde staat. Maar het had wel gewerkt.
Dat kwam omdat ik, onbewust, terugdacht aan mijn vaders carrière als columnist. Als je precies hetzelfde werk doet als je ouders, wil je ze natuurlijk altijd evenaren. Ik bedoel eigenlijk: overtreffen. Misschien niet heel bewust, maar toch zeker wel onbewust.
Vroeger schreef mijn vader een dagelijkse column in de Volkskrant, en vlakbij die column stond vaak een kleine advertentie van de Amsterdamse damesmodezaak Raymond Linhard. De baas van Raymond Linhard, een sympathiek uitziende man met een brilletje en een warrige, grijze toef haar op zijn hoofd, had bij de Volkskrant bedongen dat hij altijd in de regionen van mijn vaders column mocht adverteren. Want de baas van Raymond Linhard vond die columns leuk.
Nu was Raymond Linhard niet een bedrijf van de orde van grootte van, zeg, Albert Heijn of de Hema, - het was gewoon een lichtelijk deftige, Amsterdamse modezaak waar dames van zekere leeftijd iets te dure T-shirts kochten, en nog steeds kopen – maar het was toch wel een hele eer, vonden we in mijn familie.
Tuurlijk, mijn vader kreeg ook prijzen, en lof, en roem voor zijn columns – maar dat was allemaal niets bij die kleine advertentie van Raymond Linhard, die steeds maar weer opdook, jarenlang!
Nog steeds als ik bij Raymond Linhard kom – ik ben nu zelf zo’n vrouw geworden die af en toe iets te dure T-shirts wil kopen – knik ik vriendelijk naar de baas achter zijn toonbank, die met een blanco gezicht terug kijkt.
Moraal van deze flashback: een columnist is dus zó te winnen voor een adverteerder.
Misschien kan het dan ook wel andersom – wat handig zou zijn, in deze barre tijden. Dat de krant een adverteerder opbelt, en zegt: ‘Onze columnist wil dólgraag naast een advertentie van u staan! Dus plaatst u er maar gauw één!’
Het zou kunnen dat adverteerders niet zo makkelijk te paaien zijn als columnisten. Maar misschien werkt het. U bent vast gewaarschuwd.
Amsterdam, 23-3-2009
Bijdrage Dagbladgoud 2008
02 04 2009
